Het feest van mest en snert

Gorinchem kan bogen op een unieke en fascinerende jaarmarkt. Op deze hoogtijdagen is de stad vol bruisend leven, dat doet denken aan een schier Breugheliaans schouwtoneel.

Twee lange najaarsdagen is de stad Gorinchem een overrompelde vesting, waarin kalenders, televisieantennes, uurwerken en claxons tevergeefs trachten aan te tonen dat de twintigste eeuw het medio is gepasseerd.

De Sint-Janstoren, omwolkt door mistflarden, blikt neer op een schier Breugheliaans schouwtoneel en het carillon zingt ijle wijsjes boven een stede van Arkel die zeer oude rechten laat gelden: het recht om de tijdrekening terzijde te stellen en marktstad te zijn zoals reeds eeuwen geleden.
De straten puilen uit van een barokke lichamelijkheid zoals die door oude meesters soms op het doek werd gebracht. Misvormden gaan rond met de bedelnap, tragische kindergezichtjes duiden op uit een jaskraag boven de witte vlek van een marmotje dat tussen twee knopen naar buiten gluurt, veekopers dragen de hollebollegijsbuik onder het uitpuilende vest trots door de menigte, paardeknechten striemen de lucht met hun zwepen, vrouwen die met vage oogmerken uit de grote stad zijn gekomen spieden naar de aan kettingen gelegde portefeuilles met bankbiljetten, een doofstomme vent met notitieboekjes en een hagelwitte bakkersbediende staat in de Krijtstraat naast de scheermesjesverkoper om slagroomwafels aan te prijzen.

Dit alles wordt met lichte argwaan beschouwd door honderden boeren uit de omgeving, die naar de beroemde Sint-Maartensmarkten zijn gekomen, het brein vol cijfers en veel geld in het borstboek. Geld voor koeien, voor erwtensoep en een slokje en als ’t tegen melkenstijd nog lijden kan een snelle toer over de kermis waar de zeemeermin lokt in haar diepgroene grot en de steilwandrijders met brullende motoren door de ton daveren.

Dit is het beeld van Gorinchem tijdens de jaarmarkt: een stad vol met vee, dat het verkeer weert en de bewoners nauwelijks gelegenheid geeft om hun huizen te verlaten.
(We zien hier de Haarstraat vanuit de Arkelstraat in westelijke richting)

Op de kermis klinkt dan het bellen van draaimolens, bonieurs vertellen hun lieve leugentjes om bestwil en de tientallen cafés (de stad heeft op 20.000 inwoners een opmerkelijk groot aantal van die etablissementen) geurt de erwtensoep met worst en schuimt het bier in de glazen.

Overmeesterde vlieg

Er is veel veranderd sinds eeuwen geleden in het centrumstadje de eerste markten gehouden werden, want hoewel het gunstig gelegen is aan de noord-zuid route (Napoleon projecteerde de grote verbinding Amsterdam-Parijs dwars door de stad naar het veer Buiten de Waterpoort) en een groot achterland heeft, moest het steeds meer marktterein afstaan aan de steden ‘s-Hertogenbosch, Utrecht en Rotterdam.
Met name de snelle ontwikkeling van het vervoer heeft Gorinchem als marktstad geen goed gedaan.
Vroeger sjouwden veedrijvers urenlang achter de koeien aan en waren de grotere plaatsen vrijwel onbereikbaar, maar sinds de mastodonten met het rode bord “veevervoer” boven de cabine het land doorkruisen bestaan er ook voor het rund geen afstanden meer. De tijd dat de beesten in een klein aantal met stoomboten naar de verder verwijderde marktplaatsen werden gebracht (zie ‘stoombootje in de mist’ van Herman de Man) behoort tot het verleden en de Gorinchemse hotelbedden worden ook veel minder beslapen door boeren en handelaren die reeds een dag tevoren met hun transport in de stad aankwamen en ’s avonds doodmoe en waggelend van slaap of wat anders hun zolderkamers opzochten.

Het duurste paard van de markt in volle draf. Het werd voor Fl. 1200,- verkocht door de paardenhandelaar Joop Oskam uit Polsbroek.

Deze ontwikkeling heeft er toe geleid, dat de weekmarkten in Gorinchem hun grootste betekenis hebben verloren. De gemeente zit wat dit betreft als een overmeesterde vlieg in het web dat tussen de drie reeds genoemde steden is gespannen, want zowel Den Bosch als Utrecht en Rotterdam zijn vanuit deze streek gemakkelijk te bereiken; de gemiddelde afstand bedraagt nog geen dertig kilometer en wat is dertig kilometer voor een veewagen op een rijksweg?

Hoogtijdagen

Is dus op de wekelijkse markten het handgeklap veel minder te beluisteren, met de biggen gaat het toch wel naar wens, want in 1959 bedroeg de aanvoer van varkens nog bijna 16.000 exemplaren en het gemeentebestuur hoopt in de toekomst ook meer runderen en ander gedierte aan te trekken, als de bouw van een overdekte markthal is verwezenlijkt. Zoals gezegd aan de ligging van Gorkum ligt het niet, want de rode stip op de landkaart bevindt zich niet alleen in het centrum van ons grondgebied, maar ook op het punt waar drie provincies elkaar ontmoeten en de wegverbindingen die al uitstekend zijn zullen nog meer in het voordeel van de stad werken, als volgend jaar de grote brug over de Merwede in gebruik kan worden genomen. Hoewel de aanvoer op de jaarmarkten ook wel iets is teruggelopen vormen die nog altijd een attractie en wat sfeer en entourage betreft mag het gemeentebestuur er misschien dankbaar voor zijn dat de overdekte-markthalplannen nog niet zijn verwezenlijkt.

Een ernstig gesprek op het bevuilde trottoir van de Arkelstraat.

Geen stad, hoe modern de outillage ook mag zijn, haalt het in gezelligheid en stemming bij dat Gorkum vol met koeien die nog onbekommerd de stoep voor het ziekengasthuis in de Haarstraat bevuilen en zich ’s middags laten melken door kwajongens die liters melk mee naar huis brengen zodat er ’s avonds – ook dit is een traditie waar niet aan te tornen valt – in veel gezinnen volop chocolademelk gedronken kan worden.

De Toon- of Sint-Hubertusmarkt brengt al een voorproef van de grote drukte op de twee hoogtijdagen in november: de grote paardenmarkt op een maandag en dinsdags een reusachtige aanvoer van koeien. Wat doet het er toe dat heel de binnenstad onder de mest zit als de Sint-Maartensmarkten zoveel vertier brengen, klinkende munt in de laden en de herwonnen glorie van de poorters die hun stad in volle bloei zien?

Marktmeester Phielix (56): hij kent zijn pappenheimers

Marmeester H. Phielix (56) offert daar graag zijn nachtrust voor op en glundert als de cijfers uitwijzen dat de aanvoer weer is toegenomen. Dit jaar stonden er bijna zeshonderd paarden en achttienhonderd koeien aan de lijnen. vijf straten waren in massa-stallen herschapen en de marktmeester die al twintig jaar de touwtjes in handen houdt, deelde als een Sinterklaas zonder baard met gulle hand de zakagenda’s uit, waarin de gemeente een mooi boekje opendoet over de stad en markt.
Ze waren weer gekomen ver uit het noorden en zuiden, de grote handelaren die soms meer dan honderd beesten aanvoeren en ’s morgens om zes uur verdrong men zich reeds voor de poorten, want pas om dat tijdstip hebben keurmeesters en politie hun posten bezet en kunnen de marktgelden betaald worden volgens het aloude tarief met bijvoorbeeld de volgende zinsneden: voor ieder rund (ossen, stieren, vaarzen, pinken, schotten en hokkelingen daaronder begrepen) F 0,70, voor ieder landvarken of overloper F 0,35.
Het staat allemaal in de agenda waar de gasten bijna om vechten en die ’s avonds waarschijnlijk ten prooi valt aan boerenkinderen al zal dit wel niet de bedoeling zijn van burgemeester en wethouders.

Mannen van de wereld

De heer Phielix kent zijn Pappenheimers wel, de grote Friezen en de onvervaarde mannen die vee aanvoeren uit de omgeving en Gelderland en Brabant. Ook buitenlanders komen vaak naar Gorinchem om fokvee te kopen. Des maandags domineren de grote ‘paardenmarchands’, lieden die in hun wezen het drieste en onvervaarde hebben van iemand die achter ’s levens schouwtoneel heeft gekeken; mannen van de wereld, fors van gestalte en niet gebonden aan grond en stal zoals de boeren, want zij komen zelf ook wel in het buitenland. Het vette en kostelijke des aardrijks blijft hen niet onthouden op hun zwerftochten van stad tot stad en er is iets zwierigs in de wijze waarop zij met de stok zwaaien en de hoed op het welgedane hoofd dragen.
Er zijn Gorkummers die beweren dat zij op ’t eerste gezicht een paarden- van een koeienhandelaar kunnen onderscheiden, maar daar zal dan wel jarenlange studie voor nodig zijn, want ook onder laatstgenoemde categorie zijn grootmeesters: mysterieuze personages in fladderende stofjassen en jekkers die met inzet van heel hun persoonlijkheid handel drijven.

Handjeklappen begeleidt het loven en bieden, dat voor oningewijden maar moeilijk is te volgen.

In dit spel van loven en bieden komt het op acteurstalenten aan, op nauw merkbare bewegingen en het om en om geklap met de handen als nonchalant tam-tam van een ritueel dat voor de leek ondoorgrondelijk blijft. Hoe vormt zich het verloop van zo’n markt tot de bekende omschrijvingen van willig, lui of traag, vlot of stroef en op welke wijze komt die bliksemsnelle communicatie tot stand tussen de uiterste groep in de Boerenstraat en de prevelende en schreeuwende kooplieden voor De Bruin’s Koekbakkerij in de Arkelstraat?
Er worden voddige notitieboekjes geraadpleegd, de prijzen van gisteren in andere marktplaatsen spelen een rol, de aanvoer, vraag en kwaliteit. En langzaam, langzaam begint het beeld zich af te tekenen, cijfers nemen gestalte aan, geruchten over prijzen en transacties gaan van mond tot mond en op een gegeven ogenblik heeft de Sint-Maartensmarkt een reputatie, die overigens elk uur weer kan veranderen. De boeren spelen tegenwoordig een minder belangrijke tol in de handel, omdat zij vaak hun dieren kopen en verkopen via plaatselijke handelaren en coöperaties en diep in hun hart hebben zij ook wel een heilig ontzag voor de mannen van het vak met hun felle tongen en handen als voorhamers.

Ongeschreven wetten

In deze wereld gelden vaste gebruiken en erecodes die streng gehandhaafd worden. Het zijn de regels van ongeschreven wetten. Zelfs als twee rood aangelopen mannen bij een koebeest staan te tieren of zij elkaar te lijf willen en elkaar ten slotte in diepe verachting de rug toedraaien, zal geen derde zijn kans waarnemen om een bod te doen. Het hoort bij het spel, dit schreeuwen zowel als het binnensmonds geprevel, het schimpen en verheerlijken, het weglopen en terugkeren, het botte zwijgen en de felle overreding, totdat het woord “geluk” klinkt als een schot en de koop gesloten is.
De handel is taai en alle golven breken er op stuk, zelfs die van de stormachtige accordeonmuziek in de cafés, het schuimende bier en de brandewijntjes met. In de naar mest en erwtensoep geurende cafés kan het zo vrolijk niet zijn of er blijft een gedachte aan de portefeuille vol bankbiljetten, die als een hond aan de ketting ligt of met een vettig touwtje aan een knoop is vastgehaakt.

Eten en drinken in de marktcafés, waar gedurende de jaarmarkt grote bedragen aan bankbiljetten over de morsige tafels worden geschoven.

Vier mannen die stampend op de klompen en met veel armgebaren beweren dat zij Sarie Marijs spoedig weer hopen te zien, kunnen opeens verstarren, door de rook heen de koppen bij elkaar steken en tussen morsige glaasjes en bierplassen heen bankbiljetten naar elkaar toeschuiven. Briefjes van honderd, bankjes van duizend en volgens aloude traditie de gulden ‘koffiegeld’ voor elke koop.

Het boertje dat in de winkel af trachtte te dingen op een achtvoetstouw van nog geen tientje heeft vandaag meer voor zijn koeien gekregen dan een kantoorbediende van onbesproken gedrag voor een jaar noeste arbeid ontvangt en de veehandelaar, gele klompen passend bij een drukke nering naast het café van Frank Wels kwam n’importe zijn besmeurde jas en vettig sjaaltje vanmorgen met twintigduizend gulden op zak door de Arkelpoort.
Gorinchem is vandaag vol geheimen, cafédeuren zwaaien, muzikanten werpen zich in het gareel en kermisrumoer drijft door de straten, waar het vee loeit en mensen uit een kleine stad zich vergapen aan het gewoel. In tientallen kookpotten dampt een erwtensoep zo stijf als een plank, in steegjes en op straathoeken worden bretels verkocht, vers gebakken vis, smeerolie, kruiwagens en halsters, oliebollen liggen in de kramen met spiegels en beschilderde panelen en aan de voet van de oude Sint-Jan staat Dirk Kers uit Lopik met zijn koekkraam. De onuitroeibare peperkoek ligt al op de blokken met een gleuf en de knuppels staan gereed voor ’t aloude volksvermaak van het koekslaan. Er liggen sierlijk bespoten baksels met schrijfletters “voor moeder”, want die koekmannen zijn psychologen en menige boer keert wat onzeker en schuldig huiswaarts, met de koek als zoenoffer in de binnenzak. “Voor moeder”, thuis op de boerderij, ie misschien al op ’t melkblok zit omdat zoonlief te lang bleef treuzelen bij den Uil op de Varkensmarkt, waar de muzikanten zo verbazend mooi speulden of bij Kees de Nijs, die de drummer van het Cocktailtrio naar Gorkum had gehaald of bij het spookpaleis op de kermis, waar ’t stikdonker is en doodskoppen grijnzen.
Er is zoveel om bij te treuzelen als Gorkum lichtstad is, maar het gros van de marktbezoekers keert toch weer getroost terug naar huis, zonder op de kop van Jut te slaan, of een peperkoek te splijten op het blok van Dirk Kers.

Wat is een markt zonder poffertjeskraam? Al zestig jaar staat die spiegelende etablissement van de firma Van der Linden uit Zeist op de drukke najaarsdagen in Gorinchem.

Er herleeft veel van het bonte schouwspel uit het verleden, maar ook op het platteland komen er nieuwe mogelijkheden tot ontspanning de plaats innemen van het niet al te fijnmazige kermisvermaak en krachtmetingen zoals het beuken op een peperkoek, dat lof toebracht aan de sterkste spieren. De kermis is gemechaniseerd en trekt veel minder belangstelling dan vroeger. Zelfs de spiegelende poffertjeskraam die van ouds op de Groenmarkt staat, de nougatkraam en de barokke tenten waarin oliebollen en Parijse wafelen te koop zijn hebben minder aanloop, een feit waar mogelijk de patat en een smaakverandering in het algemeen aansprakelijk voor gesteld kunnen worden. Als Gorinchem in die kille najaarsdagen weer een echte marktstad is, valt deze ontwikkeling echter nauwelijks op, want tussen het vee schijnt te tijd stil te staan. Een man beladen met muziekinstrumenten loopt traag door de mest, laat met een voetbeweging het bekken rinkelen en schudt met het hoofd met de blinkende narrekap. Er zijn marktmotjes te zien, bedelaars, beschonkenen en leurders, paarden slaan vonken uit de straat als zij in draf gejaagd worden, mest spat tegen de ruiten van brave burgers en winkeliers, het carillongetinkel vlucht voor de geweldige bas van draaiorgels en de stormwind van accordeonspel.

Gorinchem is een stad vol bruisend leven. Zolang het gemeentebestuur nog piekert over een overdekte outillage voor vee en kooplui kan het bogen op een unieke en fascinerende jaarmarkt, die het hart van de stad overweldigt.
Het is een schouwspel dat in onze gereglementeerde samenleving bepaald verfrissend genoemd zou kunnen worden, ware het niet dat er een bataljon straatvegers aan te pas moest komen om de sterk bevuilde stad na het sluiten van de markt schoon te spoelen.

Bij het scheiden van de markt: de schoonmaakploegen rukken uit om de bevuilde straten van het stadje weer toonbaar te maken
En als de avond gevallen is over Gorkum, dan gaan de lichtjes aan en verdwijnt het rumoerig gedoe, dat de jaarmarkt altijd met zich meebrengt.

Leo J. Leeuwis
(Foto’s: Articapress)

Het ziekengasthuis in de Haarstraat (midden) is op marktdagen door koeien omsingeld. Patiënten en bezoekers kunnen het slechts bereiken via een achteringang in een nauwe straat.

Bovenstaand artikel komt uit het blad “De Spiegel” uit 1960. Heb je ook nog foto’s of herinneringen aan de Gorcumse veemarkten? Deel ze even in de reacties bij deze post, of stuur me een email: brievb@gmail.com.