Tags

, , , ,

In juli 1951 verscheen dit foldertje over de Grote Toren, welke in de volksmond vaak St. Jan wordt genoemd. Het was een uitgave van de Vereniging Voor Vreemdelingenverkeer (de V.V.V.), Gorinchem en omstreken.

Het foldertje dat een kostprijs had van 15 cent opent met een gedicht van Albertine Kehrer, en bevat teksten van H. van Hoogdalem (conservator van het museum Dit is in Bethlehem), Jac. de Kroon (Stadsbeiaardier), J.G. de Roever (Hoofd van de dienst Gemeentewerken). Er wordt wat verteld over de bouw van de toren, het carillon en over de op dat moment bijna afgeronde restauratie, welke al 13 jaar duurde!

Hier de volledige tekst en de tekeningen uit het 8 pagina’s tellende foldertje.


Uit de historie

Statig en fier heft ge uw spits naar de wolken,
Reuzige grijze, die de eeuwen belacht!
Om u verkwijnden geslachten en volken,
Gij staat nog daar in steeds jeugdige kracht,
Ernstig en droef schijnt ge int’ronde te staren
Ach, niet een enkele vriend uwer jeugd,
Geen, wien die schitterende riddereeuw heugt
Moogt ge in de veste aan uw voet meer ontwaren!

(Albertine Kehrer)

Wat zou ik U gaarne vertellen, dat in het jaar …. op die en die dag met de bouw van onze toren werd begonnen. Maar helaas, dat gaat niet, want “geen enkele vriend zijner jeugd” zegt het ons. Zelfs zij, die het menen te weten en die er wat dichter bij stonden dan wij, verliezen zich in gissingen of fantasieën. Zo vertelt Abraham Kemp in zijn “Leven der Doorluchtige Heeren van Arckel, ende Jaerbeschrijvinge der Stad Gorinchem” wat de mening is van zijn grootvader Aard Kemp, namelijk dat Jan IXe van Arkel de toren deed stellen op de fundamenten van de toren van het kasteel dat bij Wolferen stond.
Zelf trekt hij de bewering van zijn grootvader in twijfel en verondersteld, dat de toren van de grond uit geheel opnieuw is opgebouwd.
Zo hoog kon naar zijn inzicht de oorspronkelijke kasteeltoren niet geweest zijn, zelfs niet zonder kap, die, volgens Aard Kemp, eerst in 1517 werd aangebracht. En dat de Kerktoren eerst zo hoog zou geworden zijn, nadat op de kasteeltoren een stagie (verdieping) gemetseld was, verwerpt hij op grond van de bouworde, die “eenre hand schijnd te wesen”. Ook van Zomeren kan in 1755 het gevoelen van Aard Kemp niet delen en schrijft: “maar als men met aandagt de Toorn en Kerk beschouwt, zo zal een eigenlijk die maar eenigsints de Bouwkunde verstaat, met mij moeten toestemmen dat dit Kerkgevaarten een gebouw is, van nieuws uyt de grond opgehaalt, en geen vermaakzel van een kasteeltje”.
Deze “reusachtige grijze belacht dus wel de eeuwen”, maar het zijn er zeker nog geen zeven, zoals de echte Gorcumers zo graag geloven.
Het blijft nog altijd historisch vaststaan, dat de afmetingen van onze torens, waar we die ook vinden, ten nauwste verband houden met de welvaart van de burgers in de steden. Hoe groter de welvaart, hoe imposanter en hoe hoger de toren. Zo is het wel gebeurd, dat men het bouwen staakte als de duiten ontbraken en weer verder ging als de omstandigheden zich wat gunstiger hadden gewijzigd.

Dan is er nog de naijver tussen de steden en dorpen onderling om het bezit van de sierlijkste of de hoogste toren. Het zou mij niet verwonderen als in onze buurt b.v. Woudrichem en Asperen met Gorinchem de stille, maar vaak hardnekkige strijd hebben aangebonden.
Maar Gorinchem kreeg de hoogste toren in verre omtrek en dat is nog altijd onze trots: 65 meter hoog steekt “de spits naar de wolken”.
Gorinchem beleefde zijn grootste bloei onder het Bourgondische huis dag van 1433-1477 regeerde over Holland (Philips de Goede, Karel de Stoute e.d.) Vooral onder Karel de Stoute was wel voor het Gorinchem der Middeleeuwen het hoogtepunt bereikt. Is het zo vreemd te veronderstellen dat voor de dood van Karel de Stoute in 1477 de toren al gebouwd was en op de spits na voltooid? Die spits is er pas opgeplaatst toen men zeker wist niet verder meer te kunnen bouwen, zij het dan om de duiten of uit vrees voor het toen reeds overhellend gevaarte? Een vage aanwijzing dat men omstreeks het midden van de 15e eeuw met de torenbouw bezig was hebben we in de mededeling van Aard Kemp, dat in 1456 het huis van Ysbrand van der Eyke Ysbrandsz. stond bij de Kanselpoort, welke “Ysbrand Ysbrandsz. was een metselaar zo sterck, dat hij een ton Wee-as (potasch) in eenen Kalck-bak opnam, ende droegh die op den Kerk-toorn tot Gorinchem”.

De toren is opgetrokken in de onder de Bourgondiërs nog heersende Gotische stijl. Een toren eveneens uit die tijd, die met uitzondering van de daarop later gebouwde z.g. “lantaarn”, veel op de onze lijkt, is die van Amersfoort, waarover men 24 jaren bouwde van 1447 tot 1471.
Een ander bewijs voor de bouw in de 15e eeuw hebben wij uit het gebruikte materiaal. De in de 13e eeuw gebruikelijke reuzenmoppen van 36x18x9 cm zijn niet gebruikt, tenzij hier en daar als vulling en uit afbraak afkomstig. Naar mate de eeuwen verstreken, werden deze maten kleiner. Voor de 15e eeuw was de gewone maat 28x14x7 cm of aan het eind zelfs 24x12x6 cm.
Dit is ook de maat van de moppen die het bouwmateriaal van onze toren vormen.
G.J. Geitenbeek, in 1923 directeur van Gemeentewerken te Gorinchem, meent in een publicatie van 9 juni 1923, dat het geen moeite kost om het Bourgondisch kruis, dat in het gravenhuis in zijn vanen en schilden voerde, terug te vinden in de gevelvlakken van de toren tot aan de eerste omloop, daarin aangegeven door steensoorten van andere kleur.
Hoe het zij, de geleerden zijn het er wel over eens, dat 5 eeuwen voor onze toren meer dan genoeg is. We willen er vrede mee hebben al kost het ons als rasechte Gorcumers moeite deze tol aan de historische waarheid te betalen.
Na een grondige en kundige restauratie vertoont “Onze Toren”, petekind van St. Jan, weer zijn oude luister.
Na lang zwijgen verkondigt hij weer als van ouds met luider stem het verstrijken der uren, die zich rijen tot dagen, maanden en jaren. Luister naar die stem en leer de tijd kostbaar achten!
Weer zingt zijn carillon met nieuwe klank over de daken van onze huizen. Moderner tijd en techniek gaf aan de schepping van Melchior de Haze nieuwe klant. Luister naar dit lied, zing het mee en geniet!
Storm, brand, oorlogsdreiging overleefde hij. Om hem heen “verkwijnden geslachten en volken”, maar nog altijd staat hij “daar in jeugdige kracht”.
Moge het nog vele eeuwen zijn en dat de veste aan zijn voet leve, groeie en bloeie tot in lengte van dagen.

H. v. Hoogdalem
Conservator van het museum “Dit is in Bethlehem”

Het carillon van Melchior de Haze

En laat uw liedjes, vrank en fier,
Uw schoonste deuntjes hooren!”
Herman Broeckaart.

Ons klokkenspel geniet de laatste tijd meer en meer de belangstelling van Gorcums burgerij en bezoekers van onze stad.
Dit is begrijpelijk, want kort geleden is het uitgebreid met 3 basklokken. Het aantal klokken bedraagt nu 28.
In 1687 zijn door de Antwerpse klokkengieter Melchior de Haze 25 klokken gegoten. De drie lage, t.w. de g, a en b, door de firma Van Bergen te Heiligerlee.

Het spel is fraai van klank en rein van toon. Bij de restauratie en uitbreiding heeft men op advies van de Ned. Klokkenspelvereniging de “reine” stemming aangehouden. Dit was ook de wens van ondergetekende.
Wanneer U vertoeft op een stil plaatsje en aandachtig luistert, kunt U genieten van deze reine klanken. Dan is klokkenspelmuziek “poezie”. Hetzij het carillon door de beiaardier aan het stokkenklavier wordt bespeeld, of wanneer U om het kwartier het speelwerk hoort, altijd blijft het iets feestelijks. Het gehele stadsbeeld fleurt als het ware op.
Van tijd tot tijd worden de wijsjes op het speelwerk (de trommel) vernieuwd. Dit “steken” van de noten is geen eenvoudig werk, doch alles gaat ook weer volgens een vast gegeven. Als beiaardier is het mij een groot genoegen de Gorcumse beiaard te mogen bespelen. Het spel is vol en helder van klank.
Wie in de gelegenheid is, het carillon te bezichtigen en te horen kan daarbij tevens het bouwwerk bewonderen en zal onder de indruk komen van de machtige klank-accoustiek en de schone resonans in dit gotisch gebouw.

Onze toren zingt en … mediteert.

Jac. de Kroon, Stadsbeiaardier

In oude luister hersteld

De Grote Toren van Gorinchem was er al decennia lang treurig aan toe, toen in 1938 de restauratie eindelijk definitief aanhangig werd gemaakt. De oude metselsteen was ingekankerd, hele muurbrokken zaten los, de fraaie pinakels van natuursteen uit het Belse Lede waren afgesleten en vergaan, fijne plantenwortels hadden het muurwerk losgewrikt en schimmel en rotting hadden de zware eiken balken aangevreten. Ja, er moest nodig iets aan gedaan worden. Maar wat en hoe precies, daar kon geen enkel deskundige een definitief antwoord op geven, want bij ontstentenis van steigerwerk was grondig onderzoek van de stenen reus volkomen onmogelijk. De eerste raming van het restauratiewerk, die f 180.000,- beliep, was dan ook nauwelijks meer dan een slag in de lucht.
Op 15 juni 1939 besloten de vroede vaderen echter het maken van de buitensteiger op te dragen aan de Haagse aannemer A. Paardekoper, die spoedig daarop met het grote werk kon beginnen.

Naarmate de steiger omhoog kwam kon de toestand nauwkeuriger worden onderzocht. En de gezichten der deskundigen stonden steeds ernstiger: de toren was er eigenlijk veel erger aan toe dan eerder verondersteld werd. En de begroting steeg tot f 300.000,-
Intussen waren de verschillende deskundigen het geenszins eens over de steensoort die bij het herstel gebruikt zou moeten worden.
De groeven van Lede zijn reeds enige tientallen jaren uitgeput en de vraag “wat dan?” werd door ieder naar eigen inzicht beantwoord.
De inmiddels ingetreden oorlogstoestand deed er ook al geen goed aan en toen de “commissaris der provincie” in 1941 zijn goedkeuring onthield aan de raadsbesluiten waarbij de eigenlijke restauratie van de bovenste geleding aan de Heer Paardekoper werd opgedragen, stond het werk in feite stil.
Het duurde tot medio 1942 alvorens terzake van de te gebruiken steensoort eindelijk een beslissing kon worden genomen. De keuze viel daarbij op de harde Franse kalksteen van Vaurion.
Het eigenlijke restauratiewerk voor de bovenste geleding werd nu opgedragen aan de Heer Paardekoper voor f 68.996,- de bewerking van het Vaurion aan de steenhouwersfirma M. van Dijk te Leersum voor een bedrag van f 66.872.
In theorie kon nu krachtig worden aangepakt, maar de oorlog drukte natuurlijk zijn stempel op het werk. Arbeidskrachten, materiaalstoewijzingen en transporten, het liep alles even stroef en ongelukkig. Politieke factoren speelden ook een rol en ten slotte maakte het bouwverbod een einde aan alle activiteit. De spits was dichtgemaakt maar verder lag het werk dan ook vrijwel stil. De liquidatie van de aannemingscontracten had natuurlijk veel voeten in de aarde en de omzetting van het werk van “aanneming” in regie ging niet zonder slag of stoot.

Het zou tot na de bevrijding duren alvorens opnieuw behoorlijk kon worden aangepakt. De architect werd vervangen, de aannemer v.d. Sluis nam de zaak van Paardekoper over en associeerde zich met de heer van Dijk, die de steenhouwerswerken aangenomen had.
In “regie” werd dan eindelijk door deze firma de bovenste geleding voltooid. In 1949 kwam die geleding gereed.
Terstond werd nu ook de onderste geleding aangepakt. Van “regie”, een werkwijze die bij een werk als dit altijd aanleiding geeft tot wrijving en onaangenaamheden werd daarbij afgezien en de onderste geleding wordt thans in aanneming uitgevoerd en komt zeer binnenkort gereed.
Dat de totale kosten, vooral door de totale wijziging van de materiaalprijzen en lonen, heel wat hoger zijn dan in 1939 verondersteld kon worden, ligt natuurlijk voor de hand. Maar Rijk en Provincie subsidieerden in die kosten en de gemeente Gorinchem bracht natuurlijk gaarne haar offer aan het werk, dat onze imposante reus in zijn oude luister herstelde en voor het nageslacht bewaarde.

J.G. de Roever
Hoofd van de dienst Gemeentewerken