Najaar 1897 – Een uitstapje naar Gorcum

Najaar 1897 – Een uitstapje naar Gorcum

Voor mijn beroep moest ik eenige dagen in Dordt zijn en daar ik op een maandag aldaar toch niets kon doen,omdat mijn cliënt dien dag steeds afwezig was, besloot ik een uitstapje te maken naar Gorcum. Ik was daar nimmer geweest em had wel eens gehoord, dat het een welvarend plaatsje was, met eene drukke weekmarkt op maandag. Daarom was de gelegenheid schoon om die drukte en het stadje eens te gaan bekijken en daar de niet kostbare noch lange reis zwarigheid opleverde, stapte ik ’s morgens half acht op de groote en sierlijke salonboot der firma Fop Smit, om aan mijn plan uitvoering te geven.

opstapplaats fop smit

Het was een genot, in den nazomer bij heerlijk fris helder weer met zulk een boot een riviertochtje te maken. Er waren nog niet veel passagiers aan boord, doch te Sliedrecht en Giessendam kwamen er honderden bij, zoodat, toen wij te Gorcum arriveerden, het grootsche groote schip er mudvol aankwam.

Cor Schulze als De Majoor in het toneelstuk 'Het Huis van de Majoor
Tijdens mijn reis had ik kennis gemaakt met een heer die, terwijl hij zijn sigaar aan de mijne aanstak, vroeg, of ik soms ook naar Gorcum ging. Op mijn toestemmend antwoord begon hij mij te vertellen dat die plaats ook voor hem aangename herinneringen had, dat hij jaren geleden in garnizoen had gelegen, er met veel genoegen verblijf had gehad en er tal van vrienden had gemaakt en achtergelaten.

Thans was hij gepensioneerd majoor, terwijl zijn flink gelaat, versierd met grijze knevel en ook zijne militaire houding, dadelijk zijne afkomst verrieden.
Zelden had ik op een reis zulk een gezellig prater ontmoet en daar zijn open, rondborstig voorkomen getuigde van een aangename inborst, was ik zeer in mijn schik, toen hij voorstelde den dag samen door te brengen, te meer nog daar hij een oud bekende in Gorcum was. Hij had, zoals hij zeide, slechts enkele commissies voor zijne vrouw te doen, want voegde hij er bij, ik moet voor mijn wederhelft ieder jaar eens naar Gorcum om daar inkoopen en bestellingen te doen van anderhande zaken die men, volgens haar, nergens zoo goedkoop en soliede als daar kan doen. En och, zeide de majoor, als de vrouwen eenmaal iets in haar hoofd hebben, nu, dan weten wij mannen het wel. Bovendien ging hij zelf ook gaarne nog wel eens naar zijn oude garnizoensplaats, (al de oude herinneringen kwamen dan weer ens boven) en ook sprak hij gaarne nog eens met zijn oude vrienden die waren overgebleven, want vele er van waren in de laatste jaren geruimd. Ja, zeide hij, dan houd ik weer eens appèl, doch ieder jaar al meer en meer absenten en met een zucht: “Zoo krijgen wij ieder onze beurt”.

Al pratende waren wij reeds in de nabijheid van Gorcum gekomen toen mijne aandacht werd getrokken door een toestel met een sleepbootje er voor en waarop eenige mannen bezig waren een net op te halen. Daar ik nimmer iets dergelijks had gezien, vroeg ik den majoor waar dat voor diende. O, antwoordde hij, dat is een nieuwe vischmethode, dat noemen de een galg-zalmvisscherij, dat moet iemand uit Gorcum hebben gepraktiseerd, ze hebben zoo iets nergens dan hier.

De Gorcumse galg op de Boven Merwede

De Gorcumse galg op de Boven Merwede

Ik vroeg hem waarom die vischmethode alleen hier werd toegepast. Och, kreeg ik als antwoord, ik geloof dat de onkosten ook al grooter zijn dan de opbrengst, maar enkele heeren uit Gorcum hebben plezier in het zaakje en er worden ook wel zalm en elft mede gevangen, maar hoe of het gaat weet ik niet, neen, zeide hij, als je nu iets van een kanon of granaatkartets wilt weten, kan ik je inlichten, maar van die zaken blijven wij militairen liefst buiten.

Zalmvissers met de galg

In tusschen was de boot de Gorcum aan wal gelegd om de passagiers af te laten. het was of de kerk uitging; de ruime aanlegplaats gedeeltelijk met kastanjeboomen beplant, zag zwart van menschen en de majoor had het daar buiten heel anders gekend. Op zijne vraag waartoe dat ijzeren hek diende, dat enkele werklieden bezig waren op te stellen, kreeg hij van een oud heertje het bescheid: “dat mot hier zooveul as een park worden met een fontein en beelde der in, nee, dà wordt hier een mooie boel hoor.”

Wilhelminapark met het beeld van Prometheus (in de volksmond

Wilhelminapark met het beeld van Prometheus (in de volksmond “Jan met de Vinger”)

Mijn reisgenoot vond het wel mooi, maar volgens hem kwam het niet te pas, zoo vlak onder den wal iets dergelijks toe te laten, doch, zoo gaat het tegenwoordig, in mijn tijd zou het niet zijn gebeurd, alles moet thans wijken voor handel en nijverheid. Zoo hebben ze hier _ wij waren aan de ingang de stad gekomen_ die prachtige waterpoort ook al afgebroken, een pronkjuweel van bouwkunst, die was zoo mooi dat zij een plaats werd waardig gekeurd in het Rijks-Museum te Amsterdam, daar staat zij nu te kijk voor duizenden vreemdelingen, een poort zou ik haast zeggen, die hier gewonnen en geboren is, maar, bromde de majoor, alles moet maar weg voor het vertier en toch is er door die poort al zooveel ongehinderd heengegaan, dat zij nog best wat had kunnen blijven staan, doch die Keulsche Vaart heeft de heele vesting in de war gebracht.

Waterpoort in Rijksmuseum (6)
De majoor was geheel en al uit zijn humeur, doch niet zoodra waren wij binnen de stad, of zijn gezicht klaarde op. Hier, zeide hij, en hij wees op een café, hier woonde vroeger Vervat en nog vroeger Lindeman, dat is een goed koffiehuis met prachtig riviergezicht, waarvan hij mij voorstelde in den loop van den dag op het balkon eens te genieten.

Tegenover dat café, het uitstekend Hotel Oosterwijk, dat hij mij aanwees als geroemd om zijn flink logies.

Op het Eind, hoek Tolsteeg, stond hotel Oosterwijk, een zaak van reputatie, evenals Hotel van Andel op het Melkpad, dat in dezelfde handen was, Specialiteit was Gorinchemse krimpzalm

Naast dat hotel, op de stoep van een kruidenierswinkel stond een grijs heer, die een oud bekende van mijn reisgezel scheen te zijn. “Wel Beer, hoe gaat het, varen de booten nog al naar je zin?” “Ja majoor, dat gaat nog al.” Wel kerel, wat word je grijs zeide de majoor. Nou jij niet, antwoordde Beer en trok aan zijn snor. Al doorloopende moest ik bekennen dat de entrée van Gorcum mij zeer meeviel. Op een breede met boomen beplante kade langs het water dat door de stad loopt, stonden sierlijke huizen, waaraan ik bemerkte dat zij voorname bewoners bevatten. De majoor wees mij dan ook al spoedig een huis aan, waar zooals hij geloofde, de rijkste man van de stad woonde en, vervolgde hij: daar in dat mooie huis woont de directeur der Gorcumsche Bank, en kijk, daar woont de man die de galgvisscherij heeft gepraktiseerd, en zo verder gaande kwamen wij op den Langendijk, een smalle straat met veel winkels en druk vertier.

Langendijk met fotograaf J.A. TukkerOp eens bleef de majoor stilstaan voor een groot gebouw, daar kwam hij vroeger zoo dikwijls, dat was de Societeit “Gezelligheid”, daar mochten wij niet voorbij. Bij ons binnentreden klonk het al dadelijk uit den mond van den majoor: “Zoo Janus, waar is de mijnheer?” Janus vertelde mijnheer zoomedeentjes kwam en in dien tijd bestelde de majoor voor ieder een kop koffie, want die was hier zoo goed. Nu zij smaakte uitstekend en de inrichting zelfe beviel mij ook zeer goed. Ja, zeide de majoor, dat heeten ze hier tegenwoordig de Kolommen, dat is zoveel als een maatschappij en als nu straks de kastelein komt zult ge zien dat hij mij wel zal herkennen. Wij kunnen intusschen de ledenlijst eens gaan bekijken, die door hem zoo kostelijk is geteekend en geheel en al met de pen. Zij leek mij ook een waar kunststuk toe en terwijl wij bezig waren haar te bewonderen, stond de maker ervan in levende lijve achter ons. Niet zoodra wij bemerkte de majoor zijn oude kennis, of het was: “Wel man, hoe gaat het? Kerel, je houdt je goed,” en het scheen ook de kastelein veel genoegen te doen zijn ouden bekende weder eens te ontmoeten. Hij moest dan ook dadelijk aan het vertellen hoe het met die en die ging, of die en die nog leefde enz.,  totdat de majoor zich tot mij wendde en vertelde dat deze kastelein de eerste prijs met schoonschrijven had gewonnen op het wereldconcours, terwijl hij hem vroeg, of hij dat kleine stukje papier nog bezat, waarop het Onze vader driemaal in een cirkel van een stuiver groot was geschreven. Dit werd ond dadelijk vertoond en ik geloof wel dat het een groote bijzonderheid was, want vroeger had ik wel eens een stukje papier ter grootte van een dubbeltje gezien, waarop slechts eenmaal dat gebed was geschreven, maar driemaal op een stuiver was mij nog nooit vertoond. Zonder loupe zag ik echter niets dan streepjes, doch met behulp daarvan kon ik alles duidelijk lezen, ofschoon de schrijver mij verzekerde het geheel en al zonder hulpmiddelen uit de hand te hebben geschreven; en zijne eerlijke verzekering, door den majoor bevestigd, waren mij borg voor de waarheid er van.

Na het verlaten van de Sociëteit, waarin ik niet had verwacht zulke wonderen van schrijfkunst aan te treffen, vervolgden wij onze wandeling en kwamen al spoedig langs een kruidenierswinkel, waar de majoor enkele bestellingen had te doen. Morgen majoor! riepen als om strijd twee heeren, de een van achter de toonbank, de ander door een raampje van het kantoor, beide hun hand militairement omhoog brengende! Hun groet werd met een goede morgen! beantwoord en met de vraag: Wil je wel zoo goed zijn weer eens zoo’n bezending over te maken als verleden jaar? Welzeker Majoor, welzeker, en is er verder niets van Uw orders? Ja, als jelui nog iets weten wat mij past, noem dan maar eens op. Nou sprak de heer van de toonbank, deus dingeskes zijn erg lekker majoor, en op een bus met abrikozen wijzende – erg lekker zeg! Tegelijk ging het raampje van de glazen pui van het kantoor open en het reeds grijzende hoofd van den bewoner er van verscheen met een: en hoe gaat het majoor, ik zeg hoe gaat het? maar de majoor was zoo in de beschouwing der abrikozen verdiept, dat nogmaals de stem door het raampje werd gehoord: ik zeg hoe gaat het majoor? De majoor scheen warempel zijn ouden kennis te zijn vergeten doch toen hij zijne stem herkende en hem toevoegde: Wel Otje, hoe gaat het, wat zie je er patent uit, kwam deze, onder het uitzoeken en bestellen van verschillende fijne comestibles, zelf ook in den winkel en toen was het vragen en redeneeren en informeeren over en weer, naar oude bekenden en nog wat. Ik liet hen maar uitpraten en ging mij staan vermeien in de kolossale drukte op den Langendijk, totdat de majoor na een hartelijk afscheid door den heet Otje werd uitgelaten, die ik nog meermalen hoorde zeggen: Neen, maar als ik den majoor zie, dan moet ik hem dat toch eens vragen; dus het gesprek was zeker zeer geanimeerd geweest.

Albert Heijn

Door het druk discours had de majoor dan ook een kleur gekregen en toen hij tot mij zeide: nu gaan wij eerst eens naar de Beurs, dacht ik zoo bij mijzelven, dat kan een drukke dag worden als die oude geschiedenissen overal moeten worden opgerakeld, maar een en ander interesseerde mij toch wel, omdat over onze ontmoetingen een aangename toon lag, van hartelijkheid en vriendschap. Toen ik aan het einde der straat een groot gebouw zag aangeduid als café de Beurs, meende ik daar te moeten wezen, doch de majoor had een ander plan, want hij geleidde mij over een brug langs de haven en wees mij de Korenbeurs aan als doel van ons bezoek.

Inmiddels passeerden wij nog een winkel van een ouden kennis die op de stoep stond en door den majoor ter loops werd aangeduid als den meest geloofwaardigen kruidenier van Gorcum, en een weinig verder toonde hij mij de woning van het oudste raadslid, waar wij iets voorbij stilhielden voor de Korenbeurs.

Daar vernam ik, dat alles er heel wat verandering had ondergaan. ’s Winters werd er vischmarkt gehouden in een doelmatig ingericht en door een ijzeren hek afgesloten gedeelte van een der zijgalerijen en de gebouwen die vroeger dienden voor opslag van granen en als koffiekamer, waren nu ingericht voor ambachtsschool, waarin de majoor ook geen vreemdeling bleek te zijn. hij liep maar pardoes de timmerschool in en de meester die daarin les gaf, kwam mij voor als een zeer geschikte baas. De jongens klopten en hamerden naar den aard en de werkstukken die ons werden getoond, waren zeer bezienswaardig en getuigden van kunstzin en smaak, waaruit tevens bleek dat meester en leerlingen met ijver hun vak beoefenden. Ik vernam ook met genoegen dat jongens, na slechts 3 jaar onderricht te hebben genoten, steeds goed plaatsing kunnen vinden en een aardig daggeld verdienen, tot steun hunner ouders. Nu bezochten wij de tegenover den timmerwinkel gelegen smederij, een lokaal van ongeveer 20 meter lang, waarin langs de lichtramen verschillende bankschroeven waren opgesteld en zich in het midden eene kleine stoommachine bevond, tot het in beweging brengen van draai-, schaaf- en snijmachines. Het lokaal was prachtig verlicht en een ideaal van een machinefabriek in miniatuur. De meester was ook al een hubsche man, die de jongens met veel tact en doorzicht wist onderwijs te geven. Ik geloof dat die ambachtsschool zelfs als model zou kunnen dienen voor andere plaatsen, waar men dergelijke inrichtingen zou wenschen te stichten. Er werd ook nog onderricht gegeven in huisschilderen, teekenen, boetseren enz. en ik was mijn geleider dan ook zeer dankbaar, dat hij mij in de gelegenheid had gesteld deze school te kunnen bezoeken. Voor wij vertrokken, richtte de majoor nog een woord van dank tot de meesters der smids- en timmerscholen en raadde hij de jongens aan, om, wanneer zij voor de militie in dienst moesten, zich aan te melden tot plaatsing bij de mineurs, omdat, volgens hem, hun fortuin dan was gemaakt en zij zoowel hier te lande als in Indië, steeds goed terecht zouden komen.

Van de ambachtsschool gingen wij door de Balensteeg heen naar den Visschersdijk, die geheel en al met nieuwe huizen was bebouwd en waar ik in den kloeken en sierlijk ingerichten winkel van een bloemist, eene prachtige collectie planten en bloemen aanschouwde, zooals ik ze nergens schooner zag. De waschinrichting daarnaast wilde de majoor mij ook binnenleiden, omdat zijne vrouw daar reeds jaren haar goed ter reiniging had gegeven en hij nog een paar nieuwe klanten had aan te brengen, doch ik liet hem die zaken daar maar alleen afhandelen en had meer zin om eens een kijkje te nemen in de groote bierbrouwerij van Ravenswaaij’s maatschappij, waartoe de directeur er van ons zeer beleefd uitnoodigde.

Ravenswaay's Bierbrouwerij Maatschapij, aan de Vissersdijk waar nu de Oosterstraat is. Gezien vanaf de wal

Ik was werkelijk verlegen over de bereidwillgheid waarmede ons alles werd getoond en verklaard en ’t meest nog werd mijne aandacht getrokken door een koel- of ijsmachine. Hoe of het mogelijk is van die gloeiend heete stoom ijs te maken, was zelfs den majoor te hoog. Ook moesten wij van de fabrikant proeven, dat zoo beroemd is, n.l. het Dortmunder bier. Wat smaakte dat heerlijk, ik kan mij best voorstellen, dat het debiet al grooter en grooter wordt. Wij bedankten den directeur voor zijne gastvrijheid en verlieten in aangename stemming de brouwerij, toen wij aan de overzijde er van een azijn- en mosterdfabriek ontdekten, waarvan de eigenaar juist iemand zijn kantoor uitliet. Daar herkende de majoor waarlijk in hem een ouden krijgsmakker, dien hij vroeger nog als flink onderofficier had gekend. Met hem werd ook al een praatje gehouden, waarvan het slot was: jongen, jij had onder dienst moeten bijven, waarop al spoedig het antwoord volgde: Neen majoor, ik zit liever hier in mijn eigen gedoeike, dan als gepensioneerd majoor in den Haag.

Ansichtkaart Vismarkt met HBS met zijingang en brievenbus

De Rijks Hogere Burgerschool (HBS) aan de Vismarkt

Van daar passeerden wij de van ouds bekende sigarenfabriek der Gebr. Van de Water, waar wij aan de achterzijde van het gebouw zeker wel een veertigtal nijvere handen bezig zagen het geurige tabakskruid tot fijne sigaren te metamorfoseeren en gingen langs de Hoogere Burgerschool door de Burgstraat en over de Vischbrug heen even het Café de Beurs binnen, om ons wat te versterken.

Kortendijk met de Beurs 1905

Café De Beurs op de hoek van de Hoogstraat en de Kortendijk

Het was in dit koffiehuis verbazend druk, voornamelijk door bezoekers van buiten, die daar hunne zaken afhandelden. Daarna gingen wij de Hoogstraat af, waar aan de eene zijde kippenmarkt werd gehouden en het vol menschen was. Er werden ook konijnen, geiten en honden verkocht en een vogelkoopman stond er met eene verzameling jonge zangvogels, waarbij een oude bekende van den majoor in druk discours met den koopman was. Het scheen ook al een oud militair te zijn, wiens naam ik echter ben vergeten, doch zoover ik uit het gesprek kon opmaken, was het een gepensioneerd kapitein en volgens den majoor een groot vogelliefhebber. In een klein zakje had hij een paar gekochte lieve zangers geborgen en ik maakte de opmerking dat deze heer zeker wel een goede klant van van den koopman was; nu, de majoor en hij gaven elkander een knipoogje en wij gingen verder. Maar eerst moest er nog bij de firma de Kroes eene bestelling worden gedaan en aangezien het daar verbazend druk was, kon er van een lang onderhoud met den patroon geen sprake zijn en het liep dan ook spoedig af met een Bonjour, ik zal er voor zorgen.

Deze diashow vereist JavaScript.

Ik vergat echter nog te melden dat wij tegenover de Hoogere Burgerschool bij de frima Koenraad van Andel verschillende merken wijn bestelden, waar wij nog even een klein glaasje witte port moesten proeven, waarbij ons bleek, hoe wonder beleefd en heusch men door die heeren wordt ontvangen en met een Adieu! Adieu! was ook dit weer achter den rug. Toen wij de Hoogstraat verder afgingen, kwamen wij voorbij het kantoor eener tabakszaak, waar voor een raam een heer zichtbaar was, dien de majoor mij aanwees als de sterkste billardspeler van Gorcum.

Ansichtkaart Hoogstraat

De Hoogstraat

In de Kelenstraat was er geen doorkomen aan, zoo vol was het daar. Sigaren-, lijm-, sinaasappel- en andere joden waren daar volop vertegenwoordigd en op de groote markt was de drukte al niet minder. Daar waren allerhande zaken te koop. Oud ijzer, boeken, oliebollen enz. en een voltakruis werden er met een aplomb geveild, dat iedereen wel moest gelooven dat het een onfeilbaar middel was tegen reumathiek en andere kwalen.

F3905.1 Kelenstraat markt

Markt op de hoek van de Grote Markt en Kelenstraat

Het was een aardig gezicht, die koopman op een stoel staande, zijn toespraak tot de menigte te hooren houden, doch na afloop daarvan was de belangstelling in hem ook verdwenen en het publiek, uitgezonderd eenige kleine jongens, verspreidde zich verder. De koopman met een verachtelijke uitdrukking op het gelaat, stapte van zijn zetel met een “het publiek bevalt me niet”, om meer gunstige oogenblikken af te wachten en dan nogmaals proeven zijner welbespraaktheid af te leggen.

Maar het stadhuis te Gorcum , dat volgens de inscriptie in een gedenksteen dagteekent van 1859-60, wat is dat een sierlijk gebouw. Met zijn schoone en kloeke lijnen, getuigt het van den goeden smaak des bouwmeesters. Ik gaf mijne verwondering te kennen over de kolossale grootte er van, ik had een dergelijk gebouw in Gorcum niet verwacht, doch de majoor vertelde mij, dat hier vroeger een rechtbank was geweest, waarvoor het Rijk de kosten der bovenverdieping had betaald om die rechtbank onder dak te kunnen krijgen en dat zoodoende Gorcum een groot stadhuis had gekregen dat aan de gemeente niet veel kostte. Ik had wel lust er eens in te loopen; de majoor vroeg aan het politiebureau bij den ingang of dat was gepermitteerd en een agent ging het aan mijnheer vragen, die de boodschap medegaf dat hij daar niet over had te zeggen. Juist kwam er iemand binnen met een stijf been, de agent vertelde hem het geval en deze heer was dadelijk bereid ons naar boven te vergezellen, doch lang had hij geen tijd, want hij had het vreeselijk druk met zijn marktmeesterschap, daarom gaf hij ons over aan een oud heertje, de bode, die ons de raadzaal liet zien, waarin de bustes van Koning Willem I, II en III tegen den wand op consoles waren geplaatst en in welke zaal, behalve de zetels van burgemeester en wethouders, nog vijftien dito’s aanwezig waren voor de vroede mannen. Niets bijzonders trok onze aandacht dan op de kamer van burg. en weth. waar een paar oude schilderstukken hingen, doch wij moesten weg omdat die heeren zouden vergaderen en wij verlieten het gebouw toen er juist een dronken man in de pan – zoo noemen ze in G. het cachot – werd gebracht.

Groenmarkt met botermarkt, pomp en draaimolen

De Groenmarkt met links de Botermarkt. Rechts is nog een stukje van het stadhuis te zien

Achter het stadhuis is de botermarkt en daarachter de groote Hervormde Kerk, die er vrij eentonig uitziet. Geheel in baksteen opgetrokken voldoet zij met hare Italiaansche lijnen maar weinig aan het oog. Door de open voordeur die met een traliehek was afgesloten, konden wij van het inwendige slechts zien dat het er met in overeenstemming met het protestansche geloof, zeer eenvoudig uitzag, en dat er voor het groote orgel een groen saaien gordijn hing. Aan de tegenovergestelde zijde van den ingang staat de toren, die in de 12e eeuw is gesticht en er nog zeer goed uitziet. Ik meen dat hij 70 meters hoog is en hij werd nog niet lang gelden door den bliksem getroffen, zooals ons een jongen vertelde. Er bestaat ook nog een lofdicht van een Gorcumsche dame, mej. Kehrer, op dien toren, waarvan de eerste regel luidt: “Statig en fier heft ge uw spits naar de wolken”, en dat dan verder nog veel mooier wordt. Het eigenaardige van het laatst beschreven stadsgedeelte is, dat toren en kerk benevens het stadhuis op een ruim plein staan, met boomen omplant.

Ansichtkaart Groenmarkt met botermarkt en kerk - P622.1

Nu kwam ons spoedig de Willemskazerne in het gezicht en hiervan wist de majoor veel te vertellen, hij noemde het daar een flinke boel. Zij werd ingericht tot huisvesting van 1000 man maar, zooals hij zeide, werd zij slechts door de helft er van in beslag genomen en de overige ruimte voor bijzondere doeleinden gebruikt. Het gebouw staat op een groot veld, door een gracht omringd en waarop groote ruimte is gelaten voor exercities, terwijl het plein is omgeven door hoog opgaande boomen.

Gorinchem in beeld - J.H. Knierum - 04 - Willemskazerne

De Willemskazene op het Kazerneplein

Inmiddels werd het zoo zachtjes aan tijd om den inwendigen mensch eens wat te versterken en daarom stelde de majoor mij voor, onzen morgendrank te gaan gebruiken in restaurant Galet, om daarna in hôtel Van Andel te gaan dineeren. Bij Galet was de marktdrukte reeds afgeloopen en daardoor zeker was het er stil. Wij bleven er dan ook niet lang, maar begaven ons langs het Diaconie Armhuis naar genoemd hôtel. Het was daar eene geheel nieuwe inrichting, waar wij uitstekend werden bediend.

Melkpad Hotel Metropole van Andel

Hotel ‘van Andel’ aan het Melkpad, links is nog een stukje van de Melkheul te zien

De ondernemer en zijne echtgenoote waren zeer spraakzaam, vooral mevrouw die de majoor reeds als kind had gekend, was geen vreemde voor hem en haalde de oude toestanden nog eens op. Een goede flesch verhoogde nog de vrolijkheid van het gezellig onderhoud. Het water in het grachtje langs het hôtel zag er niet frisch uit en rook niet zeer aangenaam, doch dat kwam zeide mevrouw, door een proces van Gorcum met de Waard. Ik begreep daar niets van en dacht dat de oorzaak van die odeur heel wat anders moest zijn dan een proces. Wij rekenden met den kelner af, omdat er nog sigaren moesten worden besteld bij den oudsten en meest gerenommeerden verkooper uit Gorcum op den Langendijk, met wiens broeder de majoor nog tegelijk was in dienst gegaan en die met hoogen rang bekleed, enkele jaren geleden was gestorven. De drukte was heel wat minder geworden, maar toch was er nog een aangename beweging langs de straten. De boot van Fop Smit zou om half zeven vertrekken en eerst nog moesten wij een pousse gebruiken op het mooie balkon bij Vervat aan de Waterpoort.

Waterpoort gezien vanaf de rivierzijde 1892

Inmiddels waren wij in den sigarenwinkel gekomen, waar toevallig mijnheer zelf aanwezig was en met wien de majoor natuurlijk dadelijk in druk gesprek raakte. Voornamelijk liep het discours over reizen en het scheen dat de majoor daar plan op had, omdat hij sprak over een reisplan door Zwitserland, waarvoor die heer beloofde alle mogelijke inlichtingen te zullen geven, daar hij van Zwitserschen oorsprong was en dat land nog dikwijls bezocht. Die man, zeide de majoor, is van alle markten thuis en zit overal in, daar heb je bijv. die sociëteit hierover, die wordt heelemaal door hem bestuurd, ’t is maar jammer dat hij ook niet onder dienst is gegaan, dan was hij zeker wel naar de binnenlanden van Afrika getrokken om ons land in plaat van België bezitter van den Congo te maken. Nu stapten wij op naar Vervat, waar wij op het balkon een kleintje geurige mokka met een glaasje chartreuse gebruikten en eenige oogenblikken genoten van het prachtig riviergezicht, dat nergens schooner te vinden is. Van die gelegenheid wordt bij mooi weêr veel gebruik gemaakt, en al was Vervat ook al dood, zooals ik vernam, de nieuwe eigenaar scheen zijn bedrijf goed te bedienen; doch daar op eens hoorden wij met een zware basstem roepen: Dordt-Rotterdam.

De President Steijn van Fop Smit op de Merwede 1906 F11934.1
Dat was het sein voor de boot, waarmede wij moesten vertrekken en dadelijk stapten wij dan ook op, om niet te laat te komen. Tegelijk met ons ging ook Beer weer naar buiten, die ons toeriep: “haast je maar niet!” en ons naar de boot zou brengen, die zonder hem toch niet mocht vertrekken. Wij wandelden langzaam op en onze begeleider vertelde ons nog dat er in Gorcum ook een verfraaiingscommissie in de maak was, die hier buiten de boel wat zoude opknappen. Al pratende, begon ik zoowat mede te babbelen en toen ik vertelde van mijn bezoek aan de stad en mijne ingenomenheid met hetgeen ik had genoten en gezien, was Beer in zijn nopjes en zei: “Kerel, kom hier wonen”, waarop ik antwoordde dat ik het bepaald aangenaam zou vinden, als Gorcum mij tot standplaats voor mijn ambt werd aangewezen. Toen wij aan boord gingen drukte Beer ons de hand en recommandeerde ons aan den kapitein met een eenvoudig: “Nou kappie! zelde goed op die twee passen?” Kort daarop klonk de bel en voort ging het naar Dordt, waar wij in de beste stemming aankwamen en ik den majoor hartelijk bedankte voor zijn aangenaam geleide. Onze wegen zouden zich zoo licht niet meer kruisen, misschien wel nooit weer, zeide de majoor, en of het kwam van de pousjes of van zijn week gemoed, weet ik niet, maar een traan kwam in zijn oog, toen hij mij tot afscheid de hand gaf, zijn reis vervolgde en ik in Dordt achterbleef.

Ik heb dit reisschetsje voornamelijk geschreven, omdat ik bij ondervinding weet, dat men gaarne iets leest, wat over zijn gemeente handelt en al is dit nu niet hoogdravend, doch slechts laag bij den weg, ik heb getracht mijne indrukken weerom te geven en heb het voornemen opgevat, nogmaals Gorcum te bezoeken, want er is daar nog zeer veel te zien, waartoe ik geen gelegenheid had, omdat de majoor mijn geleider was. Wanneer ik evenwel eens alleen kom en mij dus vrijer kan bewegen, zal ik mijne indrukken wederom opschrijven en misschien mededeelen, want kijk nu eens aan, ik heb Gorcum bezocht en ben niet in Loevestein geweest; ik heb de kast van Hugo de Groot en de beschilderde ruiten in het Weeshuis niet gezien en nog zooveel meer niet. Doch ik heb ook nog hoop, dat ik voor goed in Gorcum zal terechtkomen, en dan tot ziens.

  • Foto majoor – Cor Schulze (1918 – Het geheugen van Nederland)

2 gedachten over “Najaar 1897 – Een uitstapje naar Gorcum”

  1. Hans de Zeeuw gezegd:

    Prachtig verhaal. Heb ervan genoten.

    Geliked door 1 persoon

  2. Hans Ebbers gezegd:

    In die jaren beleefde je nog eens wat op een dag. Mooi verslag!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s